Op deze pagina leest u een verslag van mijn tweejarige composer-in-residence samenwerking met het Rubens Kwartet, mogelijk gemaakt door het Fonds Podiumkunsten.

Januari - augustus 2010: Blijven schaven aan ‘Earnest and Game’

Wat een voorrecht is het om – dankzij de composer-in-residence regeling van het Fonds Podiumkunsten – langdurig met het Rubens Kwartet te mogen samenwerken. Tegenwoordig is het immers helemaal niet zo vanzelfsprekend meer dat componisten voor een langere periode een band aangaan met bepaalde musici of een bepaald ensemble, iets wat in vroegere tijden veel gebruikelijker was. Het contact van een componist met musici, ensembles en orkesten is tegenwoordig erg vluchtig geworden en bijna uitsluitend gericht op wereldpremières. Men wil wel nieuwe muziek programmeren, maar alleen als het gaat om een wereldpremière, aangezien een wereldpremière iets exclusiefs zou hebben. Een schijn-exclusiviteit, want bij hedendaagse stukken van componisten die geen Boulez, Rihm of Adams heten is de regel dat de première tegelijk de dernière is – het stuk wordt één keer gespeeld (en vaak in een verre van optimale uitvoering door gebrek aan repetitietijd) en verdwijnt daarna voorgoed in de archiefkast waarin het gros van de hedendaagse partituren ligt te verstoffen, daar is dus niets exclusiefs aan. Juist bij hedendaagse muziek is het echter essentieel dat deze muziek meerdere keren gespeeld (en gehoord) wordt: alleen dan kan deze muziek groeien, bij zowel de uitvoerenden als bij de luisteraars. En alleen dan krijgt een modern stuk de kans om daadwerkelijk uit te groeien tot een repertoirestuk.

Mijn ‘residency’ bij het Rubens Kwartet houdt enerzijds in dat ik nieuw werk voor hen zal schrijven, anderzijds dat zij bestaand werk van mij veelvuldig zullen spelen en wij hier samen aan zullen schaven. In het eerste seizoen van de ‘residency’ ligt de nadruk op het laatste element. Het kwartet heeft gedurende het gehele seizoen mijn driedelige strijkkwartet Earnest and Game veelvuldig geprogrammeerd. Zo nam het kwartet dit stuk in januari 2010 mee op een succesvolle mini-tournee door het land, waarbij naast Earnest and Game ook Beethovens Harfenquartett gespeeld werd, alsmede And David Sang - mijn voor het Rubens Kwartet geschreven transcriptie van een motet van Josquin (zie vorig blogbericht). Bij deze concerten was ik bovendien steeds zelf aanwezig om mijn muziek toe te lichten aan het publiek (wat altijd op prijs gesteld wordt door het publiek).
Tijdens deze tournee merkte ik niet alleen hoeveel beter het kwartet Earnest and Game inmiddels beheerste dan ten tijde van de première, maar ook dat ze het werk dusdanig eigen hadden gemaakt dat het stuk voor mij eindelijk loskwam van de ‘ideaal-interpretatie’ die je als componist van een stuk in je hoofd hebt. Als je een stuk geschreven hebt, heb je altijd een ideaalbeeld in je hoofd van hoe het stuk zou moeten klinken – de ideale interpretatie, een abstractie die bij de première nooit benaderd wordt. Daarom stellen premières van mijn stukken mij altijd teleur: wat ik op een première hoor ligt meestal nog mijlenver verwijderd van het ideaalbeeld in mijn hoofd. Wanneer musici een nieuw stuk voor het eerst spelen, gaat het er in eerste instantie om zoveel mogelijk de juiste noten en ritmes te spelen en alle partijen gelijk te krijgen – verder dan die fase komt men doorgaans niet bij een première. Pas wanneer men het stuk vaker uitvoert, kan men ook gaan werken aan de interpretatie: niet slechts alleen de juiste noten raken, maar ook de betekenis achter die noten. Die interpretatie moet vervolgens ook weer groeien en rijpen. En als zo’n interpretatie echt sterk en goed is geworden, doet dat mij als componist de ideaal-interpretatie in mijn hoofd vergeten.
Het Rubens Kwartet heeft dat nu bereikt met Earnest and Game – het resultaat van het veelvuldig uitvoeren ervan en het voortdurend blijven schaven aan de interpretatie, al dan niet met feedback van de componist. Door veelvuldig samen aan het stuk te werken, hebben we de puntjes op de i kunnen zetten: “iets meer pianissimo hier … toch maar geen sul ponticello daar … deze passage wil ik rauwer, intenser … en eh, is het mogelijk het tempo van Ecstasy nog iets sneller te nemen?” Dat laatste bleek zeker mogelijk. Tijdens de concerten in januari speelde het kwartet Ecstasy voor het eerst in dit snellere tempo. Nooit eerder klonk dit deel zo geëxalteerd.

Januari 2010: Josquin op vier strijkers

Het is laat in de middag van een ijskoude januaridag als ik - voor het eerst in het nieuwe jaar – weer op bezoek ga bij een repetitie van het Rubens Kwartet in Den Haag. Als ik de repetitiekamer binnenkom, staan de musici net op het punt om And David Sang te repeteren, mijn zojuist gemaakte strijkkwartettranscriptie van het motet Planxit autem David (1504) van Josquin des Prez. De muziek wordt ingezet en de kamer vult zich met de pure, serene schoonheid van de muziek van Josquin, een schoonheid die mooi past bij de winterse avondschemer die ik kijkend uit het raam gewaar word. Soms lijkt het bijna alsof de vier strijkers zijn veranderd in vier woordloze vocale stemmen, maar op andere momenten klinkt er toch echt een strijkkwartet.
Deze transcriptie is één van de nieuwe stukken die ik in het kader van mijn ‘residency’ voor het Rubens Kwartet geschreven heb. Zij hadden de wens geuit om eens een keer oude muziek te spelen en mij gevraagd een transcriptie hiervan te maken. Het maken van een goede transcriptie is een vak apart. In de meest simpele vorm is een transcriptie niet meer dan een ‘vertaling’ van een muziekstuk van het ene naar het andere medium, vaak gemaakt voor praktische of studiedoeleinden, bijvoorbeeld een piano-uittreksel van een opera of orkestsymfonie. Artistiek interessant wordt het pas wanneer een transcriptie niet slechts een vertaling is, maar ook een hertaling, d.w.z., de transcriber voegt een eigen muzikale visie op het stuk toe aan de transcriptie of hercomponeert het stuk zelfs in meer of mindere mate. Dergelijke transcripties zijn in de loop van de geschiedenis veelvuldig gemaakt, vaak door grote componisten: men denke aan de virtuoze pianotranscripties van Liszt of de Bach-transcripties van Busoni (om welke hij zelfs bekender is dan om zijn eigen originele composities), maar ook bijvoorbeeld aan Ravels orkestratie van Mussorgsky’s Schilderijententoonstelling, Stravinsky’s Pulcinella of meer recentelijk Berio’s Folk Songs en Rendering.
Mijn transcriptie van Josquins motet is dan ook een vrije transcriptie, waarin ik mij de vrijheid heb gepermitteerd om hier en daar te sleutelen aan de noten van Josquin, niet in extreme mate, maar toch nog in die mate dat het me niet meer gerechtvaardigd leek voor deze transcriptie de oorspronkelijke titel te handhaven - vandaar de Engelse titel And David Sang. Mijn plan was om enerzijds zoveel mogelijk het karakter en de noten van Josquins muziek intact te laten, anderzijds om toch een idiomatisch strijkkwartetstuk te maken dat gebruik zou maken van de mogelijkheden die het medium strijkkwartet te bieden heeft wat betreft dynamiek, kleur en expressie. Zo heb ik dynamiek toegevoegd en daarmee een dramatisch verloop, hier en daar en enkel nootje of kleureffect als flautando of sul ponticello en soms een octaaf veranderd. Daarnaast heb ik de vorm gewijzigd – zo heb ik secties geschrapt, zodat er een compactere vorm zou ontstaan die beter zou werken voor het medium strijkkwartet.
Waarom heb ik juist voor dit motet gekozen? Omdat juist in dit motet te horen is hoe Josquin uiteenlopende invloeden probeerde te integreren, iets wat ik altijd waardeer in componisten. Zo worden in dit motet imitatieve, polyfone passages die duidelijk geworteld zijn in de muziek van de Franco-Vlaamse traditie waarin Josquin was geschoold, afgewisseld met homofone passages, de Italiaanse invloed die Josquin wellicht opdeed tijdens zijn werkzaamheden in Ferrara.